Rekenkracht als machtsfactor
Van slimme ideeën naar grote gebouwen
In de begindagen van deze golf won wie het slimste idee had. Inmiddels wint in toenemende mate wie de meeste rekenkracht kan neerzetten. De onderzoeksmethoden zijn breed bekend; het verschil zit in hoeveel chips je maandenlang kunt laten draaien.
Dat verklaart de bedragen in het nieuws. Contracten voor datacenters van tientallen miljarden, financieringsplatforms die honderden miljarden aan kapitaal moeten losmaken, en energiebedrijven die ineens als AI-belegging worden verhandeld.
De drie schaarse dingen
- Chips. De productiecapaciteit voor de zwaarste processors is beperkt en jaren vooruit vergeven.
- Stroom. Op steeds meer plekken is het elektriciteitsnet de begrenzing, niet het geld.
- Ruimte en koeling. Een datacenter bouwen duurt jaren en stuit op lokale weerstand.
Wie er buiten valt
Universiteiten kunnen niet meer meedoen aan het trainen van de grootste modellen. Dat verschuift onderzoek naar bedrijven, met gevolgen voor wat er onderzocht wordt en wat er gepubliceerd wordt. Ook landen zonder eigen capaciteit worden afhankelijk van een handvol aanbieders — vandaar de aandacht voor digitale soevereiniteit.
De tegenbeweging
Er is ook een beweging de andere kant op. Kleine modellen worden razendsnel beter, mede door distillatie. Voor veel praktische toepassingen is een model dat op een gewone server draait inmiddels ruim voldoende. Wie geen eigen topmodel hoeft te bouwen — en dat geldt voor vrijwel elk bedrijf — merkt van deze wedloop vooral dat het goedkoper wordt.
Waar het op uit kan draaien
Twee scenario's worden serieus besproken. In het ene consolideert de markt tot een paar partijen die de infrastructuur bezitten, met bijbehorende prijszetting. In het andere worden open modellen goed genoeg om het grootste deel van de vraag op te vangen, waardoor de dure topmodellen een nichemarkt worden. Welke kant het opgaat, is nu niet te zeggen.